Uw werknemer kan het pensioen ook nog even uitstellen tot na de AOW-datum. Uw werknemer hoeft dan minder lang te doen met de pensioenpot. Het maandelijkse pensioen wordt daardoor hoger.
Later met pensioen gaan heeft gevolgen voor het partner- en wezenpensioen. Ook kan het gevolgen hebben voor het belastingtarief en uitkeringen en toeslagen.
Het pensioen dat de partner en kinderen krijgen wanneer uw werknemer overlijdt, wordt hoger. Dit komt omdat het partnerpensioen en wezenpensioen een percentage zijn van het hogere pensioen van uw werknemer.
Gaat uw werknemer na AOW-leeftijd met pensioen en bouwt uw werknemer geen pensioen meer op? Dan stopt de dekking voor het partnerpensioen en wezenpensioen na 6 maanden. De partner en kinderen van uw werknemer krijgen dan geen of minder geld als uw werknemer overlijdt. Wil uw werknemer dat zij wel recht houden op pensioen? Dan kan uw werknemer kiezen voor voortzetting van de dekking voor het partner- en wezenpensioen. Op de pagina vrijwillige voortzetting leest uw werknemer hoe het werkt.
Als uw werknemer later met pensioen gaat, kan het inkomen veranderen. Daardoor wordt het belastingtarief misschien ook hoger of lager. Na AOW-leeftijd passen we standaard géén loonheffingskorting toe op het pensioen.
Als het inkomen verandert, kan dit ook gevolgen hebben voor andere uitkeringen en toeslagen voor uw werknemer. Bijvoorbeeld huurtoeslag of zorgtoeslag. Uw werknemer kan voor meer informatie terecht bij de uitkerende organisatie.
Dit kan via de persoonlijke omgeving. Raad uw werknemer aan om de aanvraag uiterlijk 1 maand voor de gewenste pensioendatum te doen. U kunt uw werknemer helpen. Op de pagina Pensioen aanvragen leest u hoe u dat doet.
Ook al gaat uw werknemer nog niet met pensioen, uw werknemer stopt vanaf de AOW-leeftijd wel met pensioen opbouwen. U levert vanaf de de datum dat uw werknemer de AOW-leeftijd bereikt niet meer aan voor de pensioenproducten. De aangifte voor de BTER-producten loopt wel door. U blijft dus ieder loontijdvak gegevens aanleveren.
Als uw werknemer niet op de 1ste of laatste dag van het loontijdvak de AOW-leeftijd bereikt, geeft u dit aan met een afwijkende periodefactor voor de pensioenproducten. Bekijk onze handleiding Premie en Gegevens via de pagina Handleidingen voor hulp bij het berekenen van de periodefactor.
Voor de BTER-producten doet u aangifte met een volledige periodefactor.
Bekijk de informatie voor uw werknemers over later met pensioen gaan.